Connectiestrings

Er zijn diverse acties waarin een connectiestring moet worden opgegeven, zoals bijvoorbeeld in de actie Haal dataset met SQL query, waarin de connectiestring nodig is om een connectie op te zetten met een database.

Een connectiestring is een tekst waarin verschillende, voor de connectie benodigde, gegevens zijn opgenomen. Hieronder ziet u een voorbeeld van een ODBC connectiestring:


DSN=Chinook;Server=Server01;DB=ErpDB;UID=sa;PWD={@DecryptText("a++p6ATZqQjLHC6XIdXwnijx5UC45bjDQC6u1UF55qLx9U=")};


Een connectiestring bestaat uit één of meerdere zogenaamde label/waarde-combinaties, gescheiden door een puntkomma, zoals bijvoorbeeld:


DSN=Chinook


"DSN" is hier het label, en "Chinook" de waarde.


Sommige gegevens, zoals met name het wachtwoord, kunnen worden versleuteld, zoals in het voorbeeld:


PWD={@DecryptText("a++p6ATZqQjLHC6XIdXwnijx5UC45bjDQC6u1UF55qLx9U=")}


In dit voorbeeld ziet u niet het wachtwoord, maar in plaats daarvan de functie {@DecryptText} met als parameter het versleutelde wachtwoord. Deze functie zal uiteindelijk automatisch door BPM Server worden uitgepakt (zie hoofdstuk over velden) zodra de connectiestring in de actie wordt gebruikt.


De benodigde label/waarde-combinaties in de connectiestring verschilt per type connectiestring. Daar is dus geen vaste richtlijn voor.


Voor elk type connectiestring kent BPM Server een apart venster waarmee u de connectiestring kunt bepalen en testen: